De wereld van Rop Janze: mietje, mietje, mietje, mietje

banner rop janzeAf en toe moet ik weer aan die ene jongen denken op de middelbare school. Hij zat niet bij mij in de klas. Hoe hij heet en of hij op de mavo, havo of op het atheneum zat, ik heb het nooit geweten. Hij had blonde krullen, een verbeten mond en hij had altijd felle rode wangen.

Hij viel me op, want iedere keer als ik hem tegenkwam, siste hij tussen zijn tanden: ‘mietje, mietje, mietje, mietje’. Natuurlijk was het niet leuk om uitgescholden te worden,maar ik zat zelf nog in mijn ontkenningsfase en mijn grootste zorg was dat iemand het zou horen en misschien op het idee zou komen dat ik homo zou zijn.

Ik las een mini-advertentie in een huis-aan-huis blad over het COC en er was ook een West-Friese afdeling, die één keer in de maand een bijeenkomst hield in Hoorn, twintig minuten met de trein.

Zou ik daar naar toe durven?

Op een zaterdagavond heb ik de stoute schoenen aangetrokken, fris gedoucht, mooie kleren aan, gel in mijn haar, moeders hou je zonen binnen, op naar het COC!

Het moest ergens in het centrum zijn, maar waar? Het gebouw dat correspondeerde met het adres was helemaal donker. Uiteindelijk vond ik op één van de ramen een briefje, waarop stond dat het COC verplaatst was naar Risdam. Risadam?! Ik wist niet eens waar het lag en hoe moest ik daar in godsnaam komen?

Gelukkig zat het COC Hoorn om de drie maanden op een andere locatie en uiteindelijk verhuisde het weer naar een plek dicht bij het station van Hoorn. Het zat toen in de kelder van een oude kinderboerderij, geen locatie om als het COC groots mee te adverteren.

Opgedoft hernam ik een nieuwe poging.

Ik heb eerst drie kwartier buiten gestaan, voor ik naar binnen durfde, om te kijken wie er allemaal naar binnen ging. Er ging helemaal niemand naar binnen. Er kwam alleen één persoon uit. Je kwam er dus gewoon levend uit. Dat vond ik een geruststellende gedachte en nu durfde ook ik een poging te wagen.

Zo groen als gras als ik was, kwam er meteen een oudere man op mij af en duwde een foldertje in mijn handen over veilig vrijen en aids. Hartelijk welkom…

De man vertelde mij met een verlekkerd gezicht dat de hapjes gratis waren. Ik keek om me heen en zag vooral jongens en meiden van zijn leeftijd. Hij wees naar de bar en zei: ‘daar zit een leeftijdsgenootje van je.’

En wie zat daar?

De jongen die tegen mij ‘mietje, mietje, mietje, mietje’ zei. Ik viel van de ene verbazing in de andere: aan de ene kant was ik blij om een bekende tegen te komen, maar waarom uitgerekend hem?

Zou het een potenrammer zijn?

Ik was zo verbaasd hem daar aan te treffen, dat ik er uit flapte: ‘wil je wat drinken?’ Hij zei: ‘Ja, maar ik ben niet verliefd op je.’ In één teug dronk hij zijn pilsje leeg, zette zijn glas neer en zei: ‘Als je doorverteld dat je me hier hebt gezien, sla ik je helemaal verrot!’ En zonder nog iets te zeggen of me een blik waardig te gunnen, liep hij weg.

Ik heb hem daarna nooit meer gezien in het COC.

Op het schoolplein nog wel natuurlijk., maar hij ontweek me. Als ik hem aankeek, werden zijn wangen nog roder dan ze al waren. Die jongen was als de dood dat ik maar iets zou zeggen, dat ik zijn geheim zou openbaren.  Ik had toen het lef niet om tegen hem ‘mietje, mietje, mietje, mietje’ te roepen.

Soms vraag ik me af hoe het nu met de jongen gaat.

Heeft hij zichzelf geaccepteerd? Heeft hij een vriend, of worstelt hij nog steeds met zijn geaardheid?  Het lijkt me leuk om hem nog eens tegen te komen. Om hem te bedanken.

Ervoer ik zijn ‘mietje, mietje, mietje, mietje’ eerst als gepest, later begreep ik pas dat het gescheld en zijn gedrag mij stimuleerde om zo snel mogelijk uit de kast te komen.

 

 



Categorieën:Column, Rop Janze

Tags: , , , ,

%d bloggers liken dit: